Het dilemma van medewerking krijgen bij het onderzoek naar de naleving van de Wet BRP

Op 6 januari 2014 vroeg de minister van Binnenlandse Zaken de aandacht van de colleges van burgemeester en wethouders voor de wijzigingen in de Wet  basisregistratie personen en in het bijzonder voor de introductie van het toezicht op de naleving van de Wet brp. Hij wees daarbij op artikel 4.2 van de Wet brp dat bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders ambtenaren aanwijst die belast worden met het toezicht op de naleving van de verplichtingen van de burger ingevolge hoofdstuk 2, afdeling 1, paragraaf 5 van genoemde wet.

Om het voor gemeenten makkelijker te maken wees hij er op dat ook de bevoegdheid toegekend was om een bestuurlijke boete van ten hoogste 325 euro op te leggen als de artikelen 2.38, 2.39, 2.40, vijfde lid, 2.43 tot en met 2.47, 2.50, 2.51 en 2.52 overtreden worden. En ...... dat niet alleen de overtreder beboet kan worden, maar ook de gelegenheidsgever, degene die bewust toelaat dat een andere persoon van zijn woonadres gebruikt maakt terwijl hij weet dat dit onjuist is, beboet kan worden.

Zijn belangrijkste argument dat daarbij in overweging was genomen was dat er een afschrikkende werking uitgaat van boetes! Nalatige en slordige burgers, die het niet zo nauw nemen met het opvolgen van hun verplichtingen, worden dan gemotiveerd om de opgelegde verplichtingen wel na te komen omdat het anders geld kan kosten.

In de circulaire wijst de Minister er verder nadrukkelijk op dat de aanwijzing als toezichthouder betekent dat de desbetreffende ambtenaren komen te beschikken over de bevoegdheden die in titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn genoemd, zoals het vorderen van inlichtingen en inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Het dilemma

Een vraag die ik vaak gesteld krijg is: Ja, maar wat nou als de overtreder niet meewerkt, daar lees ik niets over!

Wat dan belangrijk is, is dat voorkomen moet worden dat de overtreder de indruk krijgt dat hij/zij een boete als bedoeld in de Wet brp krijgt opgelegd. Een boete overigens waarvan de grootste groep van de deelnemers aan onze workshops denkt dat er echt geen afschrikkende werking uitgaat van € 325,-- bij overtreders die opzettelijk niet meewerken. Hun voordeel is vaak veel groter en staat niet in verhouding.

Waarom dan voorkomen van de indruk dat een boete opgelegd zal worden?

Op dat moment treedt namelijk een grondrecht in werking en is de overtreder niet meer verplicht om mee te werken. Sterker nog, als we voornemens zijn om een boete op te leggen dan moeten we dat zelfs vertellen, (de cautie).

Maar…….., zo lang we een onderzoek doen naar de vraag of er sprake is van een overtreding moet iedereen waarvan de toezichthouder denkt dat die een bijdrage kan leveren aan het beantwoorden van de vraag of er sprake is van een overtreding, gewoon meewerken en is er geen verschoningsrecht, zelfs niet voor ambtsdragers.

“Citaat: Artikel 5:20 AWB

  • Een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
  • Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.”

Bij de parlementaire behandeling van dit artikel is ook uitvoerig ingegaan op de vraag van de toezichthouders:  Ja, maar wat nou als de overtreder niet meewerkt?

Er is toen o.a. gewezen op de sanctiemogelijkheid die de strafwet biedt: Artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht  stelt namelijk: 

Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Een boete van de tweede categorie is goed voor maximaal €  4.050,--. Ik denk dat met dit pressiemiddel, naast de mogelijkheden van Titel 3 van de AWB die gericht zijn op het herstel van de niet naleving, een behoorlijk drukmiddel beschikbaar is dat niet alleen helpt om de antwoorden te krijgen op de vragen die een toezichthouder kan stellen maar ook bij de uitvoering van het onderzoek.

Ik hoor graag hoe de toezichthouders hierover denken.

No Comments Yet.

Leave a comment

You must be Logged in to post a comment.