Toezicht op de naleving van de Wet Basisregistratie Personen

De vakanties zijn alweer even voorbij, het is weer tijd om met elkaar eens van gedachten te wisselen over de professionalisering van het toezicht op de naleving van Wet Basisregistratie Personen (brp) die de burger verplicht om tijdig zijn verhuizing of wijzigingen in de burgerlijke staat (voor zover ze in het buitenland hebben plaatsgevonden) te melden bij de gemeente. De Wet brp is inmiddels alweer ruim een halfjaar van kracht en veel gemeenten worstelen nog met de vaststelling van de beleidsregels omtrent dat toezicht.

Dat kan natuurlijk ook heel eenvoudig door het kopiëren van modelbeleidsregels of de beleidsregels van andere gemeenten. De vraag is dan voert elke gemeente dat dan ook zo uit, of is het alleen maar een papieren werkelijkheid? Ik denk dat samen een discussie voeren over de betekenis en de consequenties van het vast te stellen beleid zinvoller is dan het zo maar klakkeloos een model of voorbeeld overnemen.

Om met elkaar een beter beeld te krijgen van de gevolgen van de invoering van professioneel toezicht zal ik de komende weken een aantal blogs schrijven en steeds een of twee onderwerpen bij de kop nemen. In deze blog wil ik met jullie van gedachten wisselen over de ambtshalve opname van gegevens.

Was er in het verleden nog de vrijheid om geen of beperkt uitvoering te geven aan de verplichting om ambtshalve over te gaan tot de opname van gegevens, door de verplichting ex artikel 4.2 is die vrijheid er niet meer. Mijn eerste stelling is dan ook: Er moet veel vaker en actiever overgegaan worden tot ambtshalve opname van gegevens.

De minister ondersteunt en stimuleert deze trend met het ontwikkelen van methodes zoals de methode voor:

  • huisbezoeken,
  • het publiceren van circulaires als ”Correcte registratie op een briefadres in de BRP”
  • faciliteiten zoals de toegang tot de loonaangifte gegevens van het Bureau Keteninformatisering Werk & Inkomen (BKWI)
  • onderzoek naar de voorwaarden waaronder de resultaten van een onderzoek naar het adres van een burger dat overheidsinstanties als DUO of het UWV gebruikt kunnen worden in de ambtshalve procedure

De vraag die deze laatste ontwikkeling bij mij oproept is: Hoe ver moet de professionalisering van het adresonderzoek reiken?

Ik denk heel ver, want niet altijd zullen er resultaten van onderzoeken van andere overheidsinstanties beschikbaar zijn. En dan moet de toezichthouder toch onderzoek uitvoeren overeenkomstig de regels en bevoegdheden van Titel 5.2 Toezicht op de naleving van de AWB. En deze bevoegdheden gaan heel ver terwijl er voortdurend rekening gehouden worden met de rechten van de burger en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als het evenredigheids- en motiveringsbeginsel. In de komende blogs zullen we deze onderwerpen uitdiepen.

Nu eerst inzoomen op de ambtshalve opname van gegevens. Een van de beleidsregels die gewijzigd moet worden door het van kracht worden van de Wet brp is de beleidsregel omtrent het briefadres. In de beleidsregel die gebaseerd was op de Wet GBA werd vooral gekeken naar de beperking om zo min mogelijk gebruik te maken van de mogelijkheid om een burger in te schrijven aan een briefadres.

Maar als we nu uitgaan van de stelling dat de essentie van de bijhouding van de BRP is dat de overheid haar burgers kent en weet te bereiken? Dan kan het briefadres een oplossing bieden! Zeker omdat het college op basis van artikel 2.42van de Wet brpeen rechtspersoon kan aanwijzen om als briefadresgever in zijn gemeente op te treden. Ik denk dan aan vreemdelingen die hier rechtmatig verblijven en werkzaam zijn voor een in Nederland gevestigd uitzendbureau dat deze werknemers afwisselend op verschillende locaties in het land te werk stelt. Of als een burger niet wil meewerken aan de inschrijving op het juiste woonadres en in het onderzoek nog onvoldoende bewijsmateriaal verzameld is om in te schrijven aan een woonadres? Ook dan kan inschrijven aan het adres van de gemeente als briefadres een oplossing bieden. En dat geldt niet alleen voor zwervers zonder vaste woon- of verblijfplaats die regelmatig contact met een casemanager van de gemeente hebben, maar ook voor burgers die niet willen meewerken aan een juiste inschrijving.

Ik denk namelijk dat een tijdelijke inschrijving als briefadres (voor de duur van het onderzoek) aan het adres van de gemeente door de burger als last ervaren zal worden omdat nu een afhankelijkheidsrelatie met de gemeente ontstaat. Hierdoor behoeven burgers niet langer VOW afgevoerd te worden. Het betekent wel dat gebruik gemaakt moet worden van de bevoegdheid ex artikel 2.47 Wet brp om de burger te verplichten inlichtingen te verstrekken en dat zo nodig gebruik gemaakt moet worden van de bevoegdheid ex 5.17 AWB (het recht om inzage te vorderen in zakelijke gegevens).

 

Auteur: Hans Gorsic

2 Responses

  1. Er wordt hier geen rekening gehouden met de zorgmijders en windhappers. Daarnaast moet er ook een vervolg zijn aan het onderzoek. Stel, dat de betrokkene een briefadres krijgt (bv bij de gemeente) en hij is niet meer te achterhalen... Wat is dan de grens bij uitschrijving VOW? Daarnaast zal, om gedegen onderzoek te kunnen doen, meer medewerking van instanties moeten bestaan. We mogen als burgerzaken nog steeds geen gebruik van Suwinet. Ook laat de medewerking van het UWV, Belastingdienst, DUO etc te wensen over. Hierbij vaak geen respons of een te late reactie.
    • Beste Anke,Je hebt volkomen gelijk. Er zal een gedegen onderzoek moeten worden gedaan.Er is mijn inziens pas sprake van een gedegen onderzoek annex artikel 2.22 van de Wet brp als de toezichthouder alle bevoegdheden van Titel 5.2 van de AWB benut heeft. Die bevoegdheden zijn zo ruim dat ik stel dat het woonadres vrijwel altijd te achterhalen is. De medewerking van het UWV, DUO en de Belastingdienst is moet die bevoegdheden zelfs af te dwingen. Overigens start binnenkort (in het teken van dubbel werk voorkomen) een landelijk project waarin gekeken wordt of de onderzoekdossiers van bijvoorbeeld het DUO ook gebruikt kunnen worden voor het dossier van burgerzaken. De samenwerking / medewerking krijgt hierdoor vast en zeker een goede impuls.Waar de grens ligt, is nu nog moeilijk aan te geven. Dat zal de jurisprudentie moeten leren.Zeker is dat met de middelen die ingezet kunnen worden, zoals de bevoegdheden van de toezichthouder en de bijvoorbeeld onderzoek in de sociale media, het adres opgespoord kan worden. Ook van zorgmijders en windhappers, want ook van hen zijn aanknopingspunten te vinden waarmee het adres opgespoord kan worden. Het strikt uitvoeren van het protocol adresonderzoek (2 afnemers raadplegen) is volgens mij dan ook niet meer voldoende.